‘Ik ervaar alles in slowmotion’
Karlien Sleper, 28-jarige monobobster

Karlien Sleper (28) heeft de primeur: ze is de eerste Nederlandse monobobster ooit op de Olympische Spelen. Zij kan dus als enige uitleggen hoe het is om in zo’n bobslee alleen van de baan af te knallen.  

“Je zit diep in die slee, met twee touwtjes als stuur. Trek je ze naar rechts, dan gaat je slee ook naar rechts. Trek je ze naar links, dan gaat je slee naar links. Meestal duurt één afdaling 55 tot 60 seconden.” 

“Het is in onze sport heel fijn om voorin het veld te starten. Iedere slee weegt met de rijder maximaal 248 kilo. Per run gaat het ijs een beetje kapot en wordt de baan langzamer. Het hangt af van je verzamelde punten dit seizoen waar je in Peking start.” 

Hartslag gaat tekeer

“Bij de start ben ik helemaal hyped. Vol adrenaline. Ik fok mezelf helemaal op. Mijn hartslag gaat omhoog. Ik moet een zo snel mogelijke start neerzetten.” 

“Na de eerste sprintmeters spring ik in mijn slee, pak ik mijn stuurtouwen vast, adem ik eens diep in en dan weer uit. Ik kom in een soort van ontspanning. Ik ervaar alles in slowmotion. Voorafgaand aan de afdaling doen we de zogenoemde trackwalk, dan lopen we de baan en legt de coach uit waar we moeten sturen. Als ik de juiste focus en het gevoel van controle heb, beleef ik alles rustig. Als ik geen lekkere trainingsruns heb gedraaid, dan ben ik wel heel zenuwachtig.” 

Achtbaan

“Bij iedere bocht, denk ik: sturen en weer eruit. Rustig aan. Ik ben volledig gefocust op wat ik waar moet doen. Mijn lichaam hobbelt en trilt continu. Nee, de baan is niet zo smooth als een achtbaan.” 

“Ik vond die bobslee-achtbaan van de Efteling trouwens vervelender dan wanneer ik zelf aan het stuur zit. Dat karretje kwam vrij in die bocht, ik wist dat je dan moest sturen. Maar ik had natuurlijk geen controle over dat ding. En dan stopte je aan het einde van de bocht ook opeens abrupt. Heel irritant.” 

“Ik ga richting de finish. Het is afhankelijk van de baan of ik mijn hoofd na de laatste bocht naar beneden doe, om net dat beetje luchtweerstand weg te nemen. Dat kan net dat extra honderdste schelen. Maar als het een pittige finishbocht is, dan doe ik dat niet. Dan heb ik daar geen tijd voor.” 

Crashen

“Je loopt in deze sport altijd een risico. Crashen is niet prettig met 120 kilometer per uur, maar het is ook niet het einde van de wereld. Op ons niveau weet je wat je moet doen om een klapper te voorkomen. Je trekt dan maximaal aan je stuurtouw als je merkt dat je om dreigt te slaan. Ga je toch, dan heb je in de monobob genoeg ruimte in je slee om weg te duiken. Les één is: de slee beschermt jou, ga er nooit uit.” 

“De eerste keer dat ik in een bobslee zat, was in Winterberg. Dat vond ik verschrikkelijk. Het is nergens mee te vergelijken. Vanaf de tweede run begon ik het leuk te vinden. Diezelfde ervaring hoor je van iedere bobsleeër.” 

Pittige strijd

“Tot dit jaar mocht ik niet meedoen aan grote wedstrijden, de internationale bond had de regel dat deelname aan de monobobwedstrijden alleen was toegestaan als je ook in de tweemansbob meedeed. Maar die heeft Nederland niet. Ik en wat andere monobobsters hebben hard geknokt voor onze rechten en uiteindelijk heeft de bond de regels aangepast.” 

“Dat was een harde strijd. Ik heb echt even geworsteld met mezelf. Mijn kwalificatie voor de Olympische Spelen voelde als een geweldig mooie beloning. Ik denk dat ik in China mooie dingen kan laten zien, eindig niet voor niets continu bij de beste tien in de World Cups. Ik ben dit jaar ook van coach gewisseld en ook dat heeft een positieve impact.” 

“Mijn start is niet supersnel, maar mijn stuurvaardigheden zijn heel goed. Daarmee kan ik een hoop goedmaken. Ik moet alleen nog wat consistenter worden. De baan is heel interessant. Ik heb geen concreet doel voor mezelf gesteld. Ik denk dat het spannend gaat zijn tot het eind.” 

Tekst: Tim van Boxtel | SNOW

Beeld: IBSF, International Bobsleigh & Skeleton Federation